Pleidooi raadpleging BRP bij ontruiming

By 20 oktober 2026Uncategorized

DE PLICHT OM TE WETEN

 

Waarom het ministerie de gerechtsdeurwaarder in staat moet stellen om bij ontruimingsprocedures zorgvuldig onderzoek te doen naar de bewoners van een woning

Een pleidooi voor aanpassing van de BRP-autorisatie van gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarder tussen recht en verantwoordelijkheid

Als gerechtsdeurwaarder bevind ik mij dagelijks op het snijvlak van uiteenlopende, soms tegengestelde belangen.

Ik handel in opdracht van een schuldeiser, maar vervul tegelijkertijd een openbaar ambt. Ik moet oog hebben voor de gerechtvaardigde belangen van mijn opdrachtgever, zonder de rechten en belangen van de schuldenaar en andere betrokkenen uit het oog te verliezen.

Die bijzondere positie brengt verantwoordelijkheden met zich mee. Verantwoordelijkheden die niet ophouden bij de formele uitvoering van een ambtelijke opdracht, maar juist ook betekenis hebben bij de zorgvuldige voorbereiding daarvan.

Dat geldt in het bijzonder bij procedures waarin ontbinding van een huurovereenkomst en ontruiming van woonruimte worden gevorderd.

Een woningontruiming raakt immers niet noodzakelijkerwijs alleen de huurder. Ook minderjarige kinderen, partners, huisgenoten en onder omstandigheden onderhuurders kunnen daardoor rechtstreeks worden getroffen.

Juist daarom is het van belang dat vóór het uitbrengen van de dagvaarding zoveel mogelijk duidelijkheid bestaat over de personen wier belangen door de gevorderde ontruiming kunnen worden geraakt.

En precies daar doet zich een probleem voor dat niet door de individuele gerechtsdeurwaarder kan worden opgelost, maar waarvoor de overheid zelf verantwoordelijkheid moet nemen.

De Hoge Raad verlangt een zorgvuldige belangenafweging

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, duidelijkheid gegeven over de betekenis van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind bij woningontruimingen.

Wanneer minderjarige kinderen door een ontruiming worden getroffen, moeten hun belangen bij de rechterlijke beoordeling een eerste overweging vormen.

Dat betekent niet dat een woning waarin kinderen verblijven nooit mag worden ontruimd. Het betekent wel dat de rechter de belangen van die kinderen daadwerkelijk moet kunnen onderzoeken en meewegen.

De Hoge Raad heeft bovendien bevestigd dat de rechter zo nodig ambtshalve moet onderzoeken of een ontruiming kinderen zal treffen.

Ook in de procespraktijk worden inmiddels concrete eisen gesteld aan de informatie die de verhuurder in de dagvaarding moet verstrekken.

Zo moet worden vermeld of minderjarige kinderen in het gehuurde verblijven. Wanneer dat onbekend is, moet inzichtelijk worden gemaakt welke inspanningen zijn verricht om daarover duidelijkheid te verkrijgen.

Daarmee is de aanwezigheid van minderjarige kinderen geen bijkomstige omstandigheid meer, maar een wezenlijk aandachtspunt bij de voorbereiding en beoordeling van een ontruimingsprocedure.

Wie verlangt dat de rechter de belangen van kinderen daadwerkelijk meeweegt, moet ook zorgen dat die rechter over de daarvoor noodzakelijke informatie kan beschikken.

De tegenstrijdigheid: wij moeten weten, maar mogen niet kijken

Gerechtsdeurwaarders beschikken voor de uitvoering van hun wettelijke taken over toegang tot gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP).

Die toegang is niet onbeperkt. Het autorisatiebesluit bepaalt welke gegevens voor welke doeleinden mogen worden geraadpleegd.

Voor zover de bestaande autorisatie geen ruimte biedt voor een adresgerichte raadpleging ter voorbereiding van een ontruimingsprocedure, ontstaat een opmerkelijke situatie.

De rechtspraak verlangt dat de aanwezigheid van minderjarige kinderen wordt onderzocht en dat de resultaten van dat onderzoek in de procedure worden betrokken.

De gerechtsdeurwaarder beschikt over een professionele infrastructuur waarmee bepaalde relevante gegevens uit een betrouwbare overheidsregistratie zouden kunnen worden verkregen.

Maar het is hem niet toegestaan die mogelijkheid zonder passende autorisatie voor dit doel te benutten.

Daarmee ontstaat een spanning tussen wat de rechtspleging aan informatie nodig heeft en wat de overheid de gerechtsdeurwaarder toestaat te onderzoeken.

Ik vind dat moeilijk te verdedigen.

Niet omdat ik als gerechtsdeurwaarder onbeperkte toegang tot persoonsgegevens verlang, maar omdat ik juist voor een concreet, maatschappelijk en juridisch relevant doel over beperkte en betrouwbare informatie wil kunnen beschikken.

De overheid kan niet enerzijds een zorgvuldige en goed geïnformeerde rechtspleging verlangen en anderzijds nalaten een rechtmatige mogelijkheid te organiseren om daarvoor essentiële gegevens te verkrijgen.

 

Het ontbreken van informatie is niet hetzelfde als het ontbreken van kinderen

In de praktijk zal de verhuurder niet altijd weten wie daadwerkelijk in de woning verblijven.

Een huurder kan kinderen hebben gekregen, een samengesteld gezin zijn gaan vormen of andere personen in de woning hebben opgenomen zonder dat de verhuurder daarvan op de hoogte is.

Ook kan een huurder onbereikbaar zijn, niet reageren op correspondentie of om persoonlijke redenen geen informatie willen verstrekken.

Juist bij problematische huursituaties, waarin betalingsachterstanden, sociale problemen of verstoorde communicatie een rol spelen, is het niet vanzelfsprekend dat de benodigde informatie eenvoudig beschikbaar komt.

Het gevolg kan zijn dat in een dagvaarding wordt vermeld dat onbekend is of minderjarige kinderen in de woning verblijven, ondanks de inspanningen die zijn verricht om dit vast te stellen.

Maar daarmee is het onderliggende probleem niet opgelost.

Onbekend is niet hetzelfde als afwezig.

Wanneer minderjarige kinderen daadwerkelijk in de woning wonen, blijven hun belangen bestaan, ook wanneer niemand hun aanwezigheid aan de rechter heeft kunnen melden.

Een zorgvuldige rechtspleging behoort zich daarom niet tevreden te stellen met onwetendheid wanneer die onwetendheid met een rechtmatig en proportioneel onderzoek kan worden verminderd.

De belangen van alle betrokkenen lopen hier juist parallel

Wat deze kwestie bijzonder maakt, is dat het beschikbaar stellen van een beperkte onderzoeksmogelijkheid niet uitsluitend één partij dient.

Integendeel: alle betrokkenen hebben belang bij een betrouwbare vaststelling van de relevante feiten.

Het belang van de huurder en zijn kinderen

De huurder heeft er belang bij dat een rechterlijke beslissing wordt genomen op basis van een zo volledig mogelijk beeld van de omstandigheden.

Minderjarige kinderen hebben er in het bijzonder belang bij dat hun aanwezigheid en hun mogelijke kwetsbaarheid niet over het hoofd worden gezien.

Een gerichte controle kan voorkomen dat kinderen pas in beeld komen wanneer een ontruimingsvonnis al is gewezen of de gerechtsdeurwaarder daadwerkelijk voor de deur staat.

Het belang van de verhuurder of schuldeiser

Ook de verhuurder heeft belang bij duidelijkheid.

Hij moet zijn vordering zorgvuldig kunnen onderbouwen en voldoen aan de informatievereisten die de rechtspraak stelt.

Wanneer relevante informatie pas tijdens de procedure of bij de uitvoering van een vonnis beschikbaar komt, kan dat leiden tot vertraging, aanvullende proceshandelingen, extra kosten en onzekerheid.

Een tijdig en betrouwbaar onderzoek kan bijdragen aan een beter voorbereide procedure en een beter voorspelbaar verloop daarvan.

Het belang van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder moet zijn ambt zorgvuldig, onafhankelijk en binnen de wettelijke kaders kunnen uitoefenen.

Daarvoor zijn niet alleen verplichtingen nodig, maar ook passende bevoegdheden.

Het is onwenselijk dat de gerechtsdeurwaarder wordt geconfronteerd met een maatschappelijk relevante informatiebehoefte waarvoor hij technisch en organisatorisch mogelijkheden heeft, maar waarvoor een toereikende wettelijke autorisatie ontbreekt.

Het belang van de rechter

De rechter heeft betrouwbare informatie nodig om zijn taak naar behoren te vervullen.

Dat geldt temeer wanneer hij gehouden is zo nodig ambtshalve onderzoek te verrichten naar de belangen van minderjarige kinderen.

Wanneer relevante informatie al bij de voorbereiding van de dagvaarding beschikbaar komt, kan de rechter gerichter beoordelen welke omstandigheden nader onderzoek verdienen.

Dat bevordert de kwaliteit en de doelmatigheid van de rechtspleging.

Het belang van de samenleving

Ook maatschappelijk is het wenselijk dat woningontruimingen zorgvuldig worden voorbereid.

Een ontruiming waarbij pas op het laatste moment blijkt dat kinderen of andere mogelijk rechthebbenden worden getroffen, kan ingrijpende gevolgen hebben en aanvullende inzet van hulpverlening, gemeenten en andere instanties noodzakelijk maken.

Vroegtijdige signalering kan bijdragen aan een beter geïnformeerde afweging en, waar nodig, tijdige betrokkenheid van de juiste instanties.

Ook de positie van onderhuurders verdient aandacht

De problematiek beperkt zich niet tot minderjarige kinderen.

Bij een woningontruiming kunnen ook personen worden geraakt die geen partij zijn bij de procedure, maar mogelijk wel een eigen rechtspositie hebben.

Ik denk daarbij in het bijzonder aan onderhuurders die onder omstandigheden aanspraak kunnen maken op huurbescherming, bijvoorbeeld op grond van artikel 7:269 BW.

Hun rechtspositie verschilt wezenlijk van die van minderjarige kinderen. Waar bij kinderen artikel 3 IVRK een bijzondere rol speelt, gaat het bij onderhuurders om mogelijke zelfstandige huurrechtelijke aanspraken.

Maar de praktische informatiebehoefte vertoont overeenkomsten.

Ook hier kan het van groot belang zijn om vóór de procedure of in ieder geval vóór de daadwerkelijke ontruiming te weten of er andere personen in de woning verblijven.

Een BRP-controle kan daarvoor een eerste aanwijzing opleveren.

Uit een BRP-inschrijving volgt overigens niet dat iemand een rechtsgeldig onderhuurcontract heeft. Evenmin betekent het ontbreken van een inschrijving dat iemand niet daadwerkelijk in de woning woont of geen rechten kan hebben.

De BRP is dus geen sluitend bewijs van bewoning of huurrechtelijke aanspraken.

Maar juist als objectieve eerste informatiebron kan zij aanleiding geven tot nader onderzoek.

Ook op dit punt zou een passende en begrensde raadpleegmogelijkheid kunnen bijdragen aan het voorkomen van onnodige juridische complicaties en aantasting van rechten van derden.

Privacybescherming is noodzakelijk, maar mag geen automatisme worden

Ik onderschrijf volledig dat persoonsgegevens bescherming verdienen.

De BRP is geen openbaar adressenbestand en de gerechtsdeurwaarder mag persoonsgegevens uitsluitend verwerken wanneer daarvoor een toereikende rechtsgrond en bevoegdheid bestaan.

Juist daarom pleit ik niet voor het negeren van het autorisatiebesluit.

Ik pleit voor aanpassing daarvan.

De AVG verlangt dat persoonsgegevens rechtmatig, doelgebonden en proportioneel worden verwerkt.

Dat staat niet op voorhand in de weg aan een zorgvuldig afgebakende regeling waarbij gerechtsdeurwaarders uitsluitend voor een concreet omschreven ambtelijk doel beperkte gegevens kunnen raadplegen.

Te denken valt aan een controle die uitsluitend betrekking heeft op het adres van een woning waarvoor daadwerkelijk een procedure tot ontruiming wordt voorbereid.

In eerste instantie zou daarbij kunnen worden volstaan met informatie over de vraag of op dat adres minderjarigen staan ingeschreven.

Alleen wanneer dat noodzakelijk is en daarvoor een afzonderlijke grondslag bestaat, zouden aanvullende gegevens beschikbaar mogen komen.

Een dergelijke regeling kan worden voorzien van duidelijke voorwaarden, logging, controle, bewaartermijnen en toezicht.

Daarmee kan zowel recht worden gedaan aan de bescherming van persoonsgegevens als aan de belangen die een zorgvuldige ontruimingsprocedure moet waarborgen.

Privacybescherming behoort mensen te beschermen. Zij mag niet zonder een zorgvuldige wettelijke afweging ertoe leiden dat de belangen van juist die mensen bij een ingrijpende rechterlijke beslissing buiten beeld blijven.

Het ministerie moet deze tegenstrijdigheid oplossen

De gerechtsdeurwaarder kan dit probleem niet zelfstandig oplossen.

Een individuele gerechtsdeurwaarder kan zijn zorgplicht niet gebruiken als rechtvaardiging om buiten de grenzen van zijn BRP-autorisatie te handelen.

Maar dat betekent niet dat de bestaande situatie daarom aanvaardbaar is.

Wanneer de rechtspraak zich ontwikkelt en daardoor nieuwe of zwaardere informatiebehoeften ontstaan, behoort de overheid te beoordelen of de wettelijke bevoegdheden en de gegevensvoorziening van de betrokken beroepsgroepen nog aansluiten bij die ontwikkeling.

Dat is geen kwestie die bij individuele gerechtsdeurwaarders, verhuurders of rechters mag blijven liggen.

Hier ligt een concrete verantwoordelijkheid voor het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Ik verzoek deze ministeries, in overleg met de KBvG, de rechtspraak en de voor de BRP verantwoordelijke instanties, om de bestaande autorisatieregeling opnieuw te beoordelen.

Daarbij zou wat mij betreft het volgende moeten worden geregeld:

  1. Een uitdrukkelijke bevoegdheid tot een beperkte adresgerichte BRP-controle bij de voorbereiding van gerechtelijke procedures waarin ontruiming van woonruimte wordt gevorderd.
  2. Een helder omschreven doel van die raadpleging: vaststellen of op het betrokken adres minderjarige kinderen staan ingeschreven en of er aanwijzingen zijn voor andere bewoners wier rechtspositie nader onderzoek kan vereisen.
  3. Een proportionele gegevensverstrekking, waarbij in beginsel niet meer gegevens worden verstrekt dan noodzakelijk zijn voor het betreffende onderzoek.
  4. Duidelijke waarborgen tegen oneigenlijk gebruik, waaronder een aantoonbaar dossierbelang, registratie van raadplegingen, beperkte toegang en controleerbaar toezicht.
  5. Een uniforme werkwijze voor de beroepspraktijk, zodat gerechtsdeurwaarders niet afhankelijk zijn van uiteenlopende interpretaties en rechters kunnen rekenen op een consistente wijze van informatieverstrekking.
  6. Een beoordeling van eventuele noodzakelijke wijzigingen in wet- en regelgeving, indien aanpassing van het autorisatiebesluit alleen onvoldoende blijkt.

Het gaat mij nadrukkelijk niet om een algemene bevoegdheid om alle bewonersgegevens op te vragen.

Het gaat om een gerichte bevoegdheid voor een duidelijk afgebakende situatie waarin de rechtspleging aantoonbaar belang heeft bij betrouwbare informatie.

Mijn verantwoordelijkheid begint vóór de ontruiming

Ik vind dat de gerechtsdeurwaarder in dit vraagstuk een actieve rol moet innemen.

Wij zijn immers niet uitsluitend de ambtenaren die aan het einde van een procedure uitvoering geven aan een rechterlijke beslissing.

Wij zijn ook betrokken bij de voorbereiding van procedures, bij het informeren van partijen en bij het zorgvuldig laten verlopen van het juridische proces.

Onze maatschappelijke verantwoordelijkheid begint daarom niet pas wanneer wij met een ontruimingsvonnis voor de deur staan.

Zij begint op het moment dat wij weten dat een procedure wordt voorbereid die mogelijk ingrijpende gevolgen heeft voor de bewoners van een woning.

Ik wil op dat moment niet hoeven volstaan met de constatering dat onbekend is of er minderjarige kinderen wonen, terwijl een gerichte controle in een overheidsregistratie mogelijk relevante duidelijkheid zou kunnen verschaffen.

Ik wil ook niet worden gedwongen te kiezen tussen het serieus nemen van mijn zorgplicht en het respecteren van de grenzen van mijn wettelijke bevoegdheden.

Die twee moeten juist met elkaar in overeenstemming worden gebracht.

Dat vraagt om actie van de overheid.

Van de plicht om te weten naar het rechtmatig kunnen weten

Mijn pleidooi is daarom niet dat gerechtsdeurwaarders voortaan zonder toereikende autorisatie BRP-gegevens moeten gaan raadplegen.

Mijn pleidooi is dat de overheid de belemmering die een zorgvuldig en rechtmatig onderzoek in de weg staat, moet onderzoeken en waar nodig wegnemen.

Ik stel voor dat bij de voorbereiding van iedere huurdagvaarding waarin ontruiming van woonruimte wordt gevorderd, een gerichte adrescontrole kan worden uitgevoerd, binnen een daarvoor uitdrukkelijk vastgestelde wettelijke bevoegdheid.

Daarmee wordt niet vooruitgelopen op de beslissing van de rechter en worden de belangen van de verhuurder niet boven die van de huurder geplaatst.

Integendeel.

Het draagt eraan bij dat de rechter over betere informatie beschikt, de verhuurder zijn procedure zorgvuldig kan voorbereiden, de gerechtsdeurwaarder zijn ambtelijke taak verantwoord kan uitvoeren en de belangen van minderjarige kinderen en andere betrokken bewoners niet onnodig buiten beeld blijven.

De rechtspleging kan niet verlangen dat wij zorgvuldig omgaan met belangen waarvan wij het bestaan niet mogen onderzoeken, zonder tegelijkertijd te bezien hoe dat onderzoek rechtmatig mogelijk kan worden gemaakt.

Daarom doe ik een nadrukkelijk beroep op het ministerie om orde op zaken te stellen.

Niet door de bescherming van persoonsgegevens terzijde te schuiven, maar door die bescherming te verenigen met de eisen van een zorgvuldige rechtspleging.

Niet door de gerechtsdeurwaarder een onbeperkte onderzoeksbevoegdheid te geven, maar door hem precies die bevoegdheid te verschaffen die voor de uitvoering van zijn publieke taak noodzakelijk is.

En niet alleen in het belang van de gerechtsdeurwaarder, maar juist in het belang van de huurder, de verhuurder, de rechter en bovenal de personen die door een ontruiming kunnen worden geraakt.

Want als de wet verlangt dat wij rekening houden met de belangen van mensen, moet diezelfde wet ons ook in staat stellen om op rechtmatige wijze vast te stellen wie die mensen zijn.

Dat is voor mij de essentie van de plicht om te weten.

 

Arno van der Vleuten, gerechtsdeurwaarder